De reddende engel

door Fred de Koning

Er was eens een meisje dat met haar oude opa in een eenzaam hutje aan de rand van het bos woonde. Ze waren heel arm, maar ze wisten precies hoe ze iets te eten konden vinden in het bos, waar allerlei vruchten en eetbare planten groeiden.
Suzanne, want zo heette het meisje, had al heel vroeg haar ouders verloren, en daarom had haar opa haar in huis genomen. Ze hadden het eigenlijk heel goed, want ze voelden zich gelukkig zolang ze elkaar hadden.

Op een dag liep Suzanne door het bos op zoek naar eetbare paddestoelen, toen ze plotseling van achteren werd beetgepakt. Voordat ze het wist, was ze geblinddoekt en ze voelde hoe ze werd opgepakt en meegenomen. Ze begon om hulp te roepen, maar een kakelende stem zei: "Toe maar; schreeuw maar wat je wilt, want niemand zal je horen."
Suzanne kon niet zien waar ze naartoe werd geleid. Ze kwamen aan bij een huisje en Suzanne werd in een kamertje opgesloten. Het eerste wat ze deed was de blinddoek afdoen. Ze zag dat er een klein raampje was waar ze niet bij kon, en verder alleen maar muren. In de kamer stond een tafeltje met een stoel erbij en in de hoek lag een matras op de grond.

Plotseling hoorde ze buiten stemmen, die duidelijk van twee vrouwen waren. De ene stem was de kakelende stem die ze eerder had gehoord, en de andere klonk lieflijk. De kakelende stem zei: "Waar bemoei je je mee; ik heb een hekel aan kinderen, en ik doe ermee wat ik wil. En jij houdt je erbuiten; begrepen?"
De lieflijke stem zei: "Maar Sofie, luister nou! Je kunt toch niet alle kinderen ontvoeren die je tegenkomt? Zij kunnen het toch ook niet helpen dat je een hekel aan ze hebt?"
"Niks mee te maken," klonk het kakelend. "Ik ben het zat om altijd maar naar de pijpen van mijn zus te dansen. Ik doe wat ik wil, en daarmee basta. En laat me nou met rust, want ik heb nog een boel te doen."

Ondertussen had Suzanne de stoel onder het raampje neergezet. Ze ging erop staan en kon nog net door het raampje kijken. Ze zag twee vrouwen, die veel op elkaar leken, zoals zusters dat meestal doen. Maar de ene had een griezelig gezicht, vol met wratten, littekens en rimpels, terwijl de andere eruit zag als een fee.
Suzanne werd bang. Wat zou dat enge mens toch met haar van plan zijn? Ze moest ontsnappen. Misschien zou die aardige mevrouw wel willen helpen.
Ze ging op de matras liggen en dacht na. Plotseling hoorde ze het geluid van metaal op steen. Het was buiten, vlak onder het raampje. Misschien verborg die enge vrouw daar wel de sleutel... Suzanne durfde niet te gaan kijken. Ze bleef roerloos liggen en maakte geen geluid.
Na een hele tijd durfde Suzanne op te staan en door het raampje te kijken. Ze kon niet zien of daar een sleutel verborgen lag, maar ze moest het er maar op wagen. Even verderop zag ze de mooie mevrouw staan. Suzanne keek in alle richtingen, maar ze kon de enge vrouw nergens zien.
"Mevrouw!" riep ze zachtjes. De vrouw keek om en kwam naar Suzanne toe. "Mevrouw," zei Suzanne, toen de vrouw vlak onder het raampje stond, "ik geloof dat uw zuster hier onder het raam de sleutel van mijn kamertje heeft verstopt. Zou u me er alstublieft uit willen halen? Ik ben bang en ik wil zo graag weer naar mijn opa terug.
"De vrouw legde de vinger op haar lip. "Ssst," fluisterde ze. "Ik zal hem pakken en je eruit halen."

Even later ging de deur open en de mevrouw kwam binnen. Ze fluisterde: "Wat ben ik blij dat je mij hebt geroepen. Ik zou niet willen dat mijn zuster in mijn plaats was gekomen. Kom maar gauw mee; dan breng ik je ergens heen waar zij je niet kan vinden." Suzanne kon wel dansen van blijdschap. Snel liep ze met de mevrouw mee het bos in. "Brengt u me nu terug naar mijn opa?" vroeg ze.
De mevrouw pakte Suzanne bij een arm. "Nee," zei ze met een kakelende stem, "ik zei toch: ik breng je ergens heen waar mijn zuster je niet kan vinden!"
Suzanne schrok. Maar voordat ze iets kon zeggen klonk daar een stem achter hen. "Maar je zuster heeft jullie al gevonden. Laat dat meisje los, Sofie!"
Suzanne liep naar de andere vrouw toe en viel snikkend in haar armen. Samen gingen ze naar het huisje van Opa, terwijl de boze Sofie terug liep naar het huisje waar Suzanne gevangen was geweest.

De oude man was heel blij toen hij zijn kleine meisje weer terug zag. Hij bedankte de lieve vrouw hartelijk. Toen ze weg was, liet hij Suzanne vertellen wat er allemaal was gebeurd. Na afloop zei hij: "Zo zie je maar weer, Suzanne: je mag mensen nóóit op hun uiterlijk beoordelen. Onthoud goed: niet de lelijke, maar de mooie mevrouw heeft je thuis gebracht, want schoonheid is iets dat van binnen zit!"

© 2002 by Fred de Koning

 

 

 

 

 

Naar hoofdpagina "Fred de Koning"