Genesis 11 In den beginne schiep God den hemel en de aarde. 2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren. 3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht. 4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis. 5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag. 6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren! 7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo. 8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag. 9 En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! En het was alzo. 10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde hij zeeën; en God zag, dat het goed was. 11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo. 12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag. 14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren! 15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo. 16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren. 17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde. 18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was. 19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag. 20 En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels! 21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeen; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde! 23 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag. 24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo. 25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 26 En God zeide: Laat ons mensen maken, naar ons beeld, naar onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep den mens naar zijn beeld; naar het beeld van God schiep hij hem; man en vrouw schiep hij ze. 28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt! 29 En God zeide: Ziet, ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze! 30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo. 31 En God zag al wat hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag. |
Voor iedereen die letterlijk gelooft wat er in de bijbel* staat(* In plaats van "bijbel" mag je desgewenst "koran" of "tenach" lezen)In de linkerkolom staat de inhoud van Genesis 1, alle verzen (1-31 dus). Laten we die teksten eens onder de loep nemen en toetsen aan wat we tegenwoordig weten... De schepping van de aarde staat al meteen in vers 1. Volgens de bijbel kwam de zon pas later: in vers 16. De vraag is: waar draaide de aarde dan omheen? Vers 2: "de Geest Gods zweefde op de wateren"... Gezien het feit dat de zon er toen nog niet was, moeten er temperaturen hebben geheerst van tegen het absolute nulpunt. Dat "water" moet dan vloeibare zuurstof en vloeibare stikstof zijn geweest. Dat betekende dus, dat de aarde een bol was met een vloeibare "atmosfeer". Boven dat "water" was er dus vacuum. En we weten allemaal dat er in vacuum geen geluid kan bestaan. Vers 3 kan dus niet kloppen! De eerste landdieren werden op de vijfde dag geschapen (vogels in vers 21). De volgende dag (vers 26) kwam de mens ten tonele. Toen was de dinosaurus al uitgestorven. Die heeft dan niet lang bestaan! ConclusieDe bijbel is geschreven door mensen die nog maar zover ontwikkeld waren, dat ze niet meer in berenhuiden rondliepen. Hun geestelijke vermogens en hun kennis van feiten gingen niet verder dan die van huidige kleuters. Wat voor geloofwaardigheid kun je daaruit halen? In het eerste hoofdstuk van het eerste boek staan al zeker 3 fouten. Als een wetenschapper zijn collega's wil overtuigen van een of andere stelling, en dat gebeurt in zijn verhandeling, gelooft niemand nog een woord van wat de schrijver beweert...En laten we eerlijk wezen: als iemand wil geloven wat er in de bijbel staat, is dat helemaal zijn eigen zaak. De ellende is, dat er soms goede dingen door wetgevers worden tegengehouden (of slechte dingen worden getolereerd) naar aanleiding van wat er in dit boekwerkje staat! En daar moet nodig iets aan gebeuren!!! |
Naar hoofdpagina "Fred de Koning" |